H Jozefmaria Dagelijkse teksten

“De Grote Vriend die je nooit verraadt”

Je zoekt gezelschap van vrienden die door hun gesprekken, hun genegenheid en hun vriendschap de ballingschap van deze wereld draaglijker maken..., ofschoon je vrienden je soms verraden. - Het lijkt me niet verkeerd. Maar... waarom zoek je niet iedere dag steeds intenser het gezelschap van, en het gesprek met de Grote Vriend die je nooit verraadt? (De Weg, 88)

Ons leven behoort God toe en we moeten het in zijn dienst besteden door ons edelmoedig voor het heil van de mensen in te zetten en met woord en voorbeeld te tonen hoe ver de eisen van een christelijk leven gaan.

Jezus verwacht van ons dat wij het verlangen om ons deze wetenschap eigen te maken zullen aanwakkeren. Dan zal Hij ons steeds weer influisteren: als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke (Joh. 7, 37). En wij antwoorden: leer ons onszelf vergeten om aan U te denken en aan al onze medemensen. Zo zal de Heer ons met zijn genade voorthelpen, net als toen wij begonnen te schrijven. Herinnert ge u nog die strepen uit onze kinderjaren, aan de hand van de meester? Zo zullen wij het geluk gaan smaken ons geloof, die andere gave van God, uit te dragen. We zullen het uitdragen door een kordaat christelijk gedrag, waarin iedereen het werk van Gods genade kan herkennen.

Hij is vriend, de Vriend: vos autem dixi amicos (Joh. 15, 15), zegt Hij. Hij noemt ons vrienden en Hijzelf deed de eerste stap. Hij heeft ons het eerst bemind. En toch dringt Hij zijn genegenheid niet op, Hij biedt haar aan. Hij geeft van zijn vriendschap het duidelijkst bewijs: geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden (Joh. 15, 13). Hij was de vriend van Lazarus en huilde om hem toen Hij zag dat hij gestorven was. Hij wekte hem ten leven. Als Hij ons koud en lusteloos aantreft, misschien met de gevoelloosheid van een kwijnend innerlijk leven, zal zijn medelijden ons leven geven: Ik zeg u: sta op en loop (vgl. Joh. 11, 43; Lc. 5, 24), sta op uit die kleinmoedigheid. Dat is toch niet leven. (Als Christus nu langskomt, 93)